NIEUWS

‘De strijd was vanaf het begin beslecht’

De remonstrantse predikant prof.dr. P.J.A. (Peter) Nissen, tevens hoogleraar spiritualiteitsstudies Radboud Universiteit Nijmegen, was één van de sprekers op de forumbijeenkomst over de Dordtse leerregels, die in Nijkerk werd belegd door interkerkelijk orgaan IKOON. Hieronder is zijn toespraak terug te lezen.

‘Dimittimini, exite, exite’, zo riep Johannes Bogerman, de voorzitter van de Dordtse Synode op 14 januari 1619 de Remonstranten toe: ‘we sturen jullie weg, gaat heen, gaat heen’. Die Remonstranten, veertien in getal, waren daar niet als volwaardige synodedeelnemers, maar als aangeklaagden. Er was geen sprake van een open gesprek; de strijd was vanaf het begin, door de samenstelling van de Synode, al beslecht. De Dordtse Synode wilde geen ruimte laten voor de rekkelijke interpretatie van de leer over de genade waarvoor een groep van 44 predikanten, volgelingen van de inmiddels overleden Leidse hoogleraar Jacob Arminius, in 1610 in een verzoekschrift (‘Remonstrantie’) gevraagd had.

Buiten hun afwezigheid werden de Remonstranten vervolgens in maart 1619 in een aantal leerregels, ontworpen door dezelfde Bogerman, veroordeeld (aangenomen op 6 mei, afgekondigd op 9 mei in de Grote Kerk). Toen de Staten Generaal die Leerregels op 2 juli overnamen, werden de remonstrantse predikanten ook nog eens ballingen: ze werden niet alleen de vaderlandse kerk uitgezet, maar ook het vaderland zelf. De strikte interpretatie van het calvinisme kreeg alleenrecht in de publieke kerk van de jonge Republiek.

 

De Synode van Dordrecht vormde de climax in een groeiende spanning tussen twee grote stromingen in het Nederlandse protestantisme: die van het strikte calvinisme en die van een meer humanistisch georiënteerde rekkelijke benadering. Het calvinisme is van die twee de laatkomer. Het kreeg pas in de jaren zestig van de zestiende eeuw, via Vlaanderen, invloed in Nederland. Daaraan gingen vier decennia vooraf waarin zich in de Nederlanden een veelkleurig landschap van reformatorische stromingen ontwikkelde. Luthers geschriften vonden er gretige aftrek: tot zijn dood in 1546 verschenen hier ruim veertig Nederlandse vertalingen en maar liefst 103 edities van zijn werken. Daarnaast was er in de Lage Landen een blijvende invloed van het werk van Erasmus en zijn humanistische geestverwanten. Voorts waren er de doperse stromingen, waarvan vooral die rond Menno Simons grote aanhang kreeg. Verder waren er moeilijk van een label te voorziene eenlingen, zoals David Joris, Hendrick Niclaes en zijn Huis der Liefde, Dirk Volckertsz Coornhert, Cornelis Hoen, Caspar Coolhaes, Herman Herbertsz en Jan Gerritzoon Versteege alias Anastasius Veluanus, de ‘opgestane Veluwenaar’.

In het verleden heeft men die bonte wereld van hervormingsgezinde opvattingen geprobeerd te reduceren tot één stroming, die van de ‘Nationaal Gereformeerden’, maar die poging was eerder een product van negentiende-eeuws theologisch nationalisme dan dat zij op historische inzichten gebaseerd was. De stromingen zijn namelijk te divers om ze onder één noemer te vatten. Er is eerder sprake van een bont amalgaam van opvattingen. Als ze al iets met elkaar gemeen hebben, dan is dat een gedeelde afkeer van de wantoestanden in de heersende kerk van die dagen, een verlangen naar hervorming en vernieuwing, vooral gevoed vanuit de Bijbel, een humanistisch vertrouwen in het vermogen van de mens om het goede te doen én een grote mate van verdraagzaamheid. Op enkele uitzonderingen na tolereerden de vertegenwoordigers van die diverse geluiden elkaar immers. Er was nog geen behoefte aan afgebakende confessies, met verplichtende belijdenissen. Er was ruimte voor pluriformiteit, niet van de zijde van de overheid en het kerkelijke establishment, maar wel onder de hervormingsgezinden zelf.

De Synode van Dordrecht maakte aan dat streven naar ruimte, naar pluriformiteit, naar verdraagzaamheid een bruut einde. Zij formuleerde een interpretatie van met name de leer over de genade die bindend werd verklaard.

Daarmee zijn meteen de twee belangrijkste geschilpunten benoemd, en die zijn volgens mij nog zo actueel als het maar zijn kan.

Het eerste is dat rond Gods genade. Werkt die dwingend, zonder enige inbreng van onze kant, of werkt zij alleen als wij met haar meewerken? Dat laatste was het standpunt dat de Leidse theoloog Jacob Arminius verdedigde: Gods genade is geen automaat, zij werkt alleen als wij haar willen ontvangen. Arminius gebruikte het beeld van een bedelaar: als iemand hem een aalmoes aanreikt, moet hij zijn hand uitsteken om die aalmoes in ontvangst te nemen; de aalmoes blijft dan een aalmoes, maar hij ‘werkt’ alleen als de bedelaar ‘meewerkt’. Zo is het ook met de genade: wij moeten besluiten haar in ontvangst te nemen; zij blijft genade, maar zij werkt niet zonder ons.

Het tweede punt was dat van het bindende karakter van belijdenisteksten. De remonstranten waren er van overtuigd dat geloofsbelijdenissen een momentopname zijn: wij formuleren het geloof nu zo, in woorden van onze tijd, maar een volgende generatie kan het misschien anders formuleren. Daarom moeten belijdenissen niet bindend verklaard worden. Als de remonstranten in 1621 zelf een geloofsbelijdenis opstellen, gebruikt de opsteller Simon Episcopius in het voorwoord het beeld van een aambeeld: deze belijdenis mag niet gebruikt worden als een aambeeld waarop het geloof van anderen in de juiste vorm geslagen wordt. De remonstranten waren ervan overtuigd dat iedere verwoording van het geloof mensenwerk is en niet voor de eeuwigheid en dat zij dus ook geen laatste autoriteit kan hebben (eigenlijk wat de theoloog Paul Tillich in de twintigste eeuw ‘the Protestant principle’ noemde).

 

Die twee kwesties zijn nog altijd actueel. Achter de discussie over de genade, die veel jongeren nu niet meer zullen begrijpen, zit een verschil in mensvisie: geloof je, zoals Arminius deed (in de traditie van Erasmus en andere humanisten), dat de mens in beginsel tot het goede in staat is (ook al doet hij dat niet altijd) en dat hij over een vrije wil beschikt waarmee hij verantwoordelijkheid draagt voor zijn levenskeuzes, of geloof je dat de mens principieel niet tot het goede in staat is, dat hij verdorven is en uit zichzelf altijd tot het kwade geneigd?

En geloof je dat alle verwoordingen over ultieme zaken (zoals geloofszaken zijn: die gaan immers over het ‘uiteindelijke’) mensenwerk blijven, inclusief dus de Bijbel, die een historisch gegroeide bibliotheek van boeken is, dat ze dus iets voorlopigs hebben, of geloof je dat ze eeuwige waarheden bevatten en onaantastbaar zijn?

 

Dat laatste raakt ook de omgang met de Bijbel. Net als voor orthodoxe gereformeerden is ook voor remonstranten de Bijbel een belangrijk boek. Maar ze gaan er op een andere manier mee om. Zij vertrekken niet vanuit de waarheid die in de Bijbel vervat ligt, maar zij vertrekken vanuit hun eigen levensvragen, hun eigen ervaringen, en spiegelen die met de verhalen en teksten in de Bijbel. En soms helpt de Bijbel hen dan hun eigen vragen beter te begrijpen, maar soms ook niet. Voor remonstranten is niet elke bladzijde van de Bijbel even heilig. Heilige Schrift is de Bijbel alleen als dat boek ons heil brengt, als het ons helpt om moed in het leven te vinden, en niet als het ons nog dieper in de put duwt.

 

Zo is voor remonstranten ook de Statenvertaling niet heilig. Zij is beslist een belangrijk werk, de meest betrouwbare Nederlandse vertaling van die tijd. Lang niet de eerste, want Nederlandse bijbelvertalingen waren er al vanaf de veertiende eeuw. Maar die waren allemaal gebaseerd op de Latijnse versie, de Vulgaat: vertalingen van vertalingen dus. Nieuw aan de Statenbijbel was dat Bogerman (ja juist, dezelfde als van Dordt) en consorten direct vanuit de grondtekst vertaalden. Ook remonstranten hebben van de zeventiende tot de negentiende eeuw in hun diensten en thuis uit de Statenbijbel gelezen. Rond 1900 zijn veel remonstrantse predikanten overgestapt op de zogenaamde Leidse vertaling en momenteel zullen de meesten uit de Nieuwe Bijbelvertaling lezen. Maar even gemakkelijk zullen zij ook gebruik maken van de Naardense Bijbel, die dicht bij het Hebreeuws en Grieks van de grondtekst probeert te blijven, en stiekem neem ik zelf nog wel eens mijn toevlucht tot de katholieke Willibrordvertaling, als ik vind dat die de bedoeling van de tekst beter weergeeft.

Want daar gaat het toch om: dat de bedoeling overkomt bij lezers van onze tijd? En wat die bedoeling is, weten we eigenlijk ook niet bij voorbaat. Die moeten we samen ontdekken, door te lezen en met de tekst en met elkaar in gesprek te gaan. Want de Bijbel is een veelstemmig boek; het nodigt uit tot gesprek.

Hoe kunnen we dat in onze tijd bevorderen? Niet door de Bijbel als eeuwige en onaantastbare waarheid te presenteren, maar door te laten zien dat het een boek is vol levenservaringen en dat die levenservaringen ons, en ook jonge mensen, misschien kunnen helpen bij het vinden van onze eigen levensweg.

 

 

Een bericht schrijven

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *